Nieuwe blog

Als politici de veiligheid preken…

Veertien jaar later zijn we, kasten vol bijdragen en boeken over de verhouding tussen veiligheid en rechten, ontelbare juridische, filosofische en veiligheidsanalyses, en de enige juiste conclusie lijkt na Parijs deze te zijn: onze politici hebben ontzettend weinig geleerd. De voorbije week hebben we precies dezelfde basale (en banale) reflex gezien dan na 9/11. De veiligheidskramp is opnieuw een feit en het veiligheidstheater is aan een reeks nieuwe theatrale voorstellen begonnen. De burger is niet de winnaar, maar het slachtoffer. En het wordt steeds minder provocatief, maar steeds realistischer om te stellen of de vraag niet is of we met een dergelijke ondoordachte en tendentieuze politiek niet onveiliger zijn dan met de huidige dreigende terreur op zich.

Eerst nog dit, omdat de kritiek anders te makkelijk zal volgen: niemand ontkent dat er vandaag een reële terreurdreiging in België, in Europa, is. Niemand ontkent ook dat we gedwongen zijn maatregelen te nemen. Die discussie hoeft niet gevoerd. Wat wel op tafel ligt, is de wijze waarop, en de vraag of we als burgers werkelijk alles moeten slikken wat ons als veiligheidsmaatregel wordt voorgeschoteld. Eerst even terugkijken om dan vooruit te kijken.

Na de aanslagen op Charlie Hebdo zouden ook in België extra middelen naar veiligheid gaan. Eén van de grootste investeringen zou in mensen en samenwerking zijn. Want we hebben niet zozeer nood aan meer wettelijke mogelijkheden en opschortingen van vrijheden, maar aan een gestructureerde en geoliede samenwerking. Dat was een les die meteen na 9/11 al kon worden geleerd: de hele Patriot Act die na 11 september 2001 werd doorgedrukt ten spijt, was het enige wat de aanslagen écht had kunnen stoppen, overleg tussen de verschillende veiligheidsdiensten. Alle info was er, maar gefragmenteerd, en omdat iedereen zijn eigen succes wilde scoren, was er niemand om de puzzelstukken bij elkaar te brengen. Op kleine schaal deelt België nog steeds diezelfde ziekte; op grotere schaal is ook Europa log, inefficiënt en bekrompen. Op vlak van veiligheid is de Unie een samenraapsel van losse staten dat enkel met veel goede wil en energie met een gebundeld statement naar buiten kan komen. Achter de coulissen gaat ieder z’n eigen gang. Nog steeds.

Na 13 november werden in België een rist nieuwe maatregelen aangekondigd, waarbij makkelijkheidshalve werd verdoezeld dat er van de januaribeloften niets was nagekomen. Parijs was een unieke kans voor sommigen om het droomlijstje aan repressieve maatregelen door te drukken. Daarmee de weg plaveiend naar de gedroomde machtspolitiek. Weg anonimiteit, weg privacy, alles moet over iedereen geweten zijn. Je daar als burger tegen verzetten, maakt je verdacht. Wie zich er tegen verzet om in deze maatschappij ‘naakt’ tegenover de veiligheidsdiensten te gaan staan, is bij voorbaat verdacht. Het geeft een heel paradoxale invulling aan wat een open samenleving hoort te zijn. De klok terugdraaien kan daar niet garant voor staan, en dat is nochtans precies wat wordt gedaan. Neem er maar gewoon de lijst met maatregelen bij.

Meer politiecontroles aan de grens, inzet van meer dan 500 militairen her en der, de mogelijkheid tot huiszoekingen 24u op 24, opheffing van anonieme prepaidkaarten of de uitbreiding van nummerplaatherkenning, systematische controle op de passagierslijsten,… geen enkele van deze maatregelen heeft echt de capaciteit – tenzij bij uiterste toeval – om terroristische aanslagen te verijdelen. In het beste geval bieden ze iets meer mogelijkheden om de daders later sneller op te sporen, maar het zijn geen maatregelen die moeten leiden tot een groter gevoel van bescherming bij de bevolking. Het dikt het lijstje wat aan, maar het effect is miniem. Wie denkt dat de baten van dergelijke maatregelen het offer waard zijn, onderschat de meeste terroristen schromelijk. Ook bij hen is er helaas sprake van een groeiende professionalisering, en dergelijke machtsmaatregelen deren hen weinig.

Grote zorgen baren echter andere maatregelen die een direct impact hebben op de samenleving en de vrijheid en rechten van de burger. Het pleidooi voor het gebruik van de enkelband zonder tussenkomst van de rechter, de uitbreiding van de telefoontap (waarbij opnieuw de rol van de rechter in vraag wordt gesteld), de optrekking van de voorlopige voorhechtenis voor terrorismezaken van 24 naar 72u., en daar aan toegevoegd de overwegingen over de zogenaamde ‘noodtoestand’. Het zijn maatregelen die (kunnen) leiden tot willekeur en misbruik en precies daardoor een aanslag zijn op het vrije leven. Bovendien duwen ze ons als samenleving 200 jaar terug in de tijd. Twee eeuwen debat en evolutie inzake burgerrechten worden daarmee gewoon van de tafel geveegd.

Inzake de zogenaamde ‘noodtoestand’ zouden de politici er goed aan doen er de internationale wetgeving even op na te lezen. Of is er echt iemand die vindt dat onze democratische staat dreigt in te storten door dreigende terreur? Trouwens, als potentiële terreur tot een noodsituatie leidt, terwijl het fenomeen (in vele vormen) zo oud is als de mensheid zelf, wat maakt dan vandaag het verschil, en bovenal: wie zal dan ooit, op welke basis, beslissen dat de genomen maatregelen opnieuw opgeschort mogen worden? Wat dat betreft heeft de geschiedenis ons al harde lessen geleerd. Wie daar niet uit wenst te leren krijgt als burger de politici die ze verdient, of is als politicus bijzonder gevaarlijk bezig. Het is ook de vraag of het Europa van na het beloftevolle Verdrag van Lissabon zich zal neerleggen bij dergelijke rechtentartende maatregelen. Indien dat inderdaad het geval is, betekent dat het failliet voor het zorgvuldig opgebouwde veiligheid-rechten discours van de Unie. Indien niet zal er voor België al snel niets anders opzitten dan deels op zijn stappen terug te keren.

Vraag is trouwens ook wat we voor al deze matregelen in ruil krijgen. Krijgen we echt meer veiligheid? En als dat al zo is, zou die veiligheidsverhoging ook niet bereikt kunnen worden met andere, minder intrusieve middelen? Meer man- en vrouwkracht om te speuren, op te volgen en te interpreteren met de middelen die vóór 13/11 al voorhanden waren (en die waren in België al verregaand!), zou al tot een verhoogde veiligheidsgraad leiden. Alles wat er nu nog bijkomt is ingrijpend, maar – in tegenstelling tot wat ons wordt verteld – niet noodzakelijk effectief bij opsporingswerk. Dit gaat om macht, om greep krijgen op de samenleving die niet langer vertrouwd wordt, niet zozeer om veiligheid. Steeds meer zijn we allemaal verdacht, tot voor elk van ons het tegendeel afdoende kan worden bewezen. Ondertussen zijn we als burger ook tegenover de staat nog nooit zo kwetsbaar geweest; precies daarin ligt één van de overwinningen van de terreur.

De politieke visie op veiligheidsbeleid steunt op eigen enge inzichten, versterkt en aangevuld door eisen van hen die een eigen belang te verdedigen hebben (i.c. veiligheidsdiensten). En het is altijd makkelijk om je als politicus te kunnen verschuilen achter geheime argumenten waarover ‘omwille van begrijpelijke veiligheidsredenen’ weinig meer gezegd kan worden. Kritische stemmen worden niet ernstig genomen of genegeerd. Maar de hoop ligt in het feit dat dergelijke stemmen veelvuldiger worden en harder klinken dan ooit tevoren. Het zijn samenlevingsveranderende momenten die we doormaken, daar moeten we ons goed bewust van zijn. We schreeuwen niet alleen om onze eigen rechten, maar ook om die van de komende generatie(s).